dieren
Het Amsterdamse Bos is een woon- en verblijfplaats voor ontelbare dieren en insecten. Ze hebben er een goed leven, met veel vrijheid en voldoende voedsel. Wel hebben ze allemaal hun vijanden, waardoor ze voortdurend waakzaam zijn. Zo wil de natuur. Soms slaan ze op de vlucht – bijvoorbeeld tijdens evenementen – maar de volgende dag zijn we weer terug. Een kleine greep uit het rijke aanbod van dieren in het Bos. Excursies die betrekking hebben op dieren verschijnen altijd in Dit weekend.
Vogels zijn de aristocraten van elk bos en een graadmeter voor de stand van de natuur. Gaat het slecht met een soort dan is er iets mis met haar leefomgeving en dus met de kwaliteit van onze leefomgeving. In het Bos zijn vogels overal in diverse pluimage aanwezig, Watervogels, moerasvogels, broedvogels, weidevogels, rietvogels, zangvogels, roofvogels, uilen, duiven, kraaien, er is een enorme populatie die het Bos als verblijfplaats heeft gekozen. Ze hebben hun biotoop voor het uitzkiezen, met een voorkeur voor Polder Meerzicht (tureluur, grutto, kievit), de oeverlanden van de Nieuwe Meer (kleine karekiet, rietgors, snor, rietzanger, blauwborst) en de Amstelveense Poel (ijsvogel, reiger) en in mindere mate het Vogeleiland. Twee keer per jaar is er de migratie. Ongekend mooi zijn de waaiers die sommige soorten vormen als ze in grote vluchten gaan trekken of terugkomen van een ander klimaat. Regelmatig komen vogelwerkgroepen, ornithologen en hobby vogelaars in het Bos om waar te nemen, gewapend met een verrekijker.
De meeste bekende diersoorten zijn verspreid over het hele Bos. Van de zoogdieren wonen er de egel, diverse soorten muizen, ratten en vleermuizen, haas, konijn, eekhoorn en twee lastpakken, de mol en de muskusrat. Waar mensen en vogels vooral zien en horen, moeten veel zoogdieren het meer van hun reukvermogen hebben. Daarom zien we ze niet vaak. Veel soorten komen pas in actie als de schemer valt. Voor dieren op de grond zijn er boomstammen, takkenrillen en overjarige grassen die bescherming bieden tegen roofvogels, reigers en honden. Insecten, pissebedden, torren, kevers en duizendpoten leven er wel bij, totdat ze een prooi zijn voor vogels, amfibieën en zoogdieren. Mollen vormen een plaag op de speelweiden. In maart slaat de mollenvanger toe. De muskusrat leeft in en bij het water, waar hij grote gangenstelsels graaft in randen van beken, sloten en kanalen. Uitroeiing is bijna onmogelijk omdat ze zich snel voortplanten. Eekhoorns waren jarenlang populair in het Bos. Er was zelfs een voederplaats waar ze uit je hand kwamen eten. Een onbenoemde ziekte deed het aantal fors afnemen. Er zijn tekenen dat ze voorzichtig terugkomen.
Sommige diersoorten spannen de kroon als het gaat om de ultieme schepping. Vlinders behoren daar zeker toe. De schitterende kleuren en de beide vleugels die aan een Rohrschach test lijken te zijn onderworpen, laten ons telkens in bewondering als we er een zien. Hun deftige namen komen overeen met hun uiterlijk: koninginnepage, dagpauwoog, oranjetipje (bedacht door Jac. P. Thijsse), resedawitje, icarusblauwtje, avondroodpijlstaart, landkaartje en de mooiste van alle, de gehakkelde aurelia, of in het Latijn, de Anthocharis cardamines. Ze zijn onderverdeeld in dikkopjes, grote pages, witjes, blauwtjes en aurelia's of schoenlappers. Bij de macronachtvlinders onderscheiden we o.a. de duizenguldenkruidvlinder, het kameeltje en het chocoladetipje. Vlinders doen het goed in het Bos. Vooral het landkaartje en de gehakkelde aurelia weten de weg te vinden. In 1981 waren er nog 27 verschillende soorten, later zijn er 35 soorten geteld. Nu schijnen ze weer iets af te nemen.
De Nieuwe Meer en de Ringvaart vormen de grenzen van het Amsterdamse Bos en maken deel uit van de uitgestrekte Rijnlands boezem, die een groot aantal wateren in Noord- en Zuid-Holland omvat. Vissen komen daardoor gemakkelijk het Bos in. De algemene soorten zijn er dan ook allemaal te vinden: paling, brasem, karper, rietvoorn, snoek, snoekbaars, stekelbaars. Maar ook water verandert, waardoor de visstand gewijzigd kan worden. Zo heeft de regenboogforel het niet gehaald. In de z.g. siervijvers kan het water nogal eens troebel zijn. Ook komen er in en rond het Bos nieuwe soorten bij. In de Nieuwe Meer zijn roofbleien, vlokreeften en Aziatische korfmosselen aangetroffen. Stadsecoloog Martin Melchers: ‘Een kanaal heeft het stroomgebied van de Rijn met dat van de Donau verbonden, waardoor bijna een heel continent is ontsloten en exoten ons land kunnen bereiken. Als je de voorwaarden schept, dienen de vissen en ook andere dieren zich aan. De globalisering in de natuur is allang een feit.’
Libellen zijn de ‘helicopters’ van de natuur. Met hun snelle vlucht, doorzichtige vleugels en wonderbaarlijk mooie kleuren doen ze wat bekoring betreft niet onder voor vlinders. En wat namen betreft al evenmin: houtpantserjuffer, lantaarntje, watersnuffel, glassnijder, geelvlekheidelibel en paardenbijter, behorend tot de familie Glazenmakers. De libel brengt het grootste deel van haar leven door als larve in het water. Zijn vogels een graadmeter voor de stand van de natuur, libellen nemen de maat van het water. Dit moet van goede kwaliteit zijn, dat wil zeggen helder en rijk aan waterplanten. Als de larve de karpers en andere vissen heeft overleefd, kruipt ze in haar laatste stadium uit het water. Dan begint de vervelling en breekt een nieuwe riskante periode aan, met waterhoentjes, meerkoeten en zangvogels op de loer. Libellen vallen onder de insecten. De grotere exemplaren eten visjes, kikkervisjes en jonge salamanders.


