natuur


Een stadsbos met allure

Het Amsterdamse Bos is er voor gepaste recreatie en voor de natuur om te gedijen: een groei- en bloeiplaats voor talloze bomen, planten en bloemen. Al deze vertegenwoordigers van de flora hebben, meestal per soort, hun plekken van voorkeur, ofwel een biotoop, een plaats waar ze geheel in hun omgeving zijn ingepast. Ze zijn, per soort verschillend, afhankelijk van bodemgesteldheid, licht, schaduw en vocht. De flora komt pas echt tot leven als je met een boswachter meegaat op excursie. ‘Alles wat je kunt verzinnen komt voor in de natuur,’ vatte een van het samen na een rondleiding. ‘Kiemen-ontkiemen, dàt is de cyclus. Maar daar zijn veel processen voor nodig. Daarom is de natuur non-stop aan het gisten.’ De Stichting Vrienden is er vooral om dat hele proces onverstoorbaar zijn gang te laten gaan. Ook al is het Amsterdamse Bos aangelegd, de natuur heeft er volop de kans gekregen. De voornaamste kenmerken ervan op een rijtje. Excursies staan vermeld in Dit weekend.

  
De oudste boom, een paardenkastanje, aan de rand van de Grote SpeelweideOudste boom
De bomen vertegenwoordigen maar liefst 420 hectare van het hele Bos. Een bos met zo veel bomen vormt een ingewikkelde leefgemeenschap, waarin alles wat er groeit zijn eigen plaats en functie heeft. Ze zijn er in alle soorten, maten en leeftijden. De oudste boom is een paardenkastanje aan de rand van de grote speelweide. Hoewel de boom in 1895 geplant zou zijn, beweren boomkenners dat hij 150 jaar oud is. Vooral aan de stam en de dikke takken is de ouderdom goed te zien. De dikste boom – met een omtrek van 5,35 meter - is een Canadese populier op het kampeerterrein van de dagrecreatie. De dikste meerstammige boom is een schietwilg met een omtrek van 9 meter. Deze staat op de Meerzichteilanden, het landje tussen het pannenkoekenrestaurant en de Ringvaart. De hoogste boom is moeilijk aan te wijzen, maar er zijn meerdere knapen van 45 meter en soms hoger.
 
 

De rode beuk in meiWelke bomen?

De eerste bomen zijn geplant in 1936. De meeste hebben de oorlog niet overleefd. De mensen hadden immers hout nodig voor de kachel. De laatste bomen zijn officieus geplant in 1970. Eiken, beuken, essen en esdoorns, bomen die voorkomen in het Noordwest Europese woud en dus gedijen op kleigrond en in ons klimaat, waren vanaf het begin voor tweederde in de meerderheid. Ze werden aangevuld met elzen, ander vulhout, populieren, wilgen, coniferen inheemse struiken en halfbomen (lijsterbes). Exotische bomen zijn er ook. Zoals de tulpenboom, de treurbeuk, de zilverberk en de witte of suikeresdoorn. Waterbeheer is van het grootste belang voor de ontwikkeling en bestendiging van een goede bosbodem, zeker in een vochtig polderland dat vier meter onder de zeespiegel ligt. Om de grondwaterstand minimaal een meter onder de oppervlakte te houden, is er voor 300 kilometer aan draineerbuizen aangelegd. De interactie tussen wortels, bodem, bodemvocht en boomgroei dient voortdurend nauwlettend in de gaten te worden gehouden. Het grondwaterpeil fluctueert, maar wordt altijd binnen de marges van de oppervlaktewaterstand van het N.A.P. gehouden.
  

Iedere winter vindt er een z.g. dunningsronde plaatsBomen kappen

Na verloop van jaren zouden bomen elkaar verdringen. Daarom vinden er periodiek zogenaamde dunningen plaats. Door het uitvoeren van dunningen kan het relatief jonge bos zich goed ontwikkelen tot een gezond en oud bos met grote bomen. Door sommige bomen te kappen krijgen de bomen ernaast meer groeiruimte. Hun kroon kan zich verder uitbreiden, ze krijgen meer takken en wortels en worden sneller dik. Stevige gezonde bomen zijn beter bestand tegen ziekten en stormen. De bomen die uiteindelijk overblijven worden toekomstbomen genoemd en krijgen een groene stip op de stam. De bomen die moeten wijken krijgen een kras (dit heet blessen) en worden omgezaagd. In november wordt met blessen gestart en in december vinden de dunningen plaats. Het dode hout blijft zoveel mogelijk liggen. Allerlei mossen, varens, paddenstoelen, dieren en insecten hebben daar profijt van, wat weer een ander belangrijk onderdeel is van het ecosysteem. Het overige hout wordt verkocht op de houtmarkt. Met de opbrengst ervan wordt het groenonderhoud gefinancierd.

 
 
Het Schinkelbos is een nieuw bos binnen het Amsterdamse BosDrie zones
In het oorspronkelijke Boschplan zijn de locaties van voorzieningen en beplantingen bewust gekozen om verschillende sferen te scheppen. Om in het bosbeheer de accenten nog eens te benadrukken, worden in het Bos drie zones onderscheiden: 1. het Parkbos – het gebied van de hockeyvelden tot de Bosbaan plus de helft van de Amstelveense kant tot de snelweg A9; 2. het Natuurbos – op de plattegrond gezien de linkerhelft ten zuiden van de Bosbaan en het deel beneden de A9; en 3. de Natuurzone – Polder Meerzicht en de oeverlanden van de Nieuwe Meer en de Amstelveense Poel. In het Parkbos, waarin de meeste voorzieningen liggen (de z.g. activiteiten-as), staat het landschappelijk ontwerp en de recreatie centraal. In het Natuurbos ligt de nadruk meer op natuurbeleving. In beide zones vinden dus verschillende vormen van bosbeheer en dunningen plaats. In de Natuurzone is het beheer gericht op het behoud van de oorspronkelijke veen-, polder- en moerasgebiedjes. Een storm is meestal niet ongunstig, omdat de zwakke plekken dan aan het licht komen. Het bos wordt er sterker van. Het Schinkelbos is pas veel later aangelegd.
 
 

De oeverlanden Nieuwe Meer in de zomerDe seizoenen

Wat bijna niet opvalt is dat alle bomen en struiken in de winter al vele knoppen dragen. De jonge bladeren brengen in de knoppen veilig en beschut de winter door. De vruchtbare humuslaag die is ontstaan uit het herfstafval wordt in de winter langzaam opgenomen. Begin april is het alsof de natuur even diep ademhaalt. Dan, op het juiste moment, als de temperatuur het toelaat, spatten de ontkiemde zaden, de ontluikende wortelstokken en de bladknoppen van de bomen uiteen tot één lichtgroene deken. De zomer staat grotendeels in het teken van stilstand. De groei is uit de natuur. Sommige flora kunnen het zelfs moeilijk krijgen. Het regent minder vaak en als het regent, regent het flink. Gewassen drogen uit tijdens een droogteperiode. Bomen en heesters dragen vruchten, die een bron van voedsel vormen voor vogels. De zaden worden overal door de vogels verspreid. Bomen moeten oppassen voor bliksem. In de herfst verschieten de bladeren aan de bomen van groen naar de mooiste kleuren bruin, geel, oranje en rood. Behalve hun blad laten bomen en struiken ook rijpe vruchten vallen. Ze sparen hun krachten en zorgen op die manier voor nieuwe aanwas. Op de grond wemelt het van eikels, kastanjes, beukennootjes en dennenappels.
 
  
De flora tiert welig op bijna alle plekken in het BosFlora
De algemeen bekende planten en bloemen komen verspreid voor in het hele Bos. In Polder Meerzicht staan veel planten uit het aloude veenweidelandschap, alsmede de pinksterbloem en andere typische weidebloemen. In een paar gebieden zijn ook bijzondere exemplaren te vinden, zoals op de oeverlanden langs de Amstelveense Poel. Dankzij het spaarzame grondgebruik aldaar groeien er de grote koningsvaren, de welriekende nachtorchis, parnassia en de zonnedauw, die insecten eet. Het Vogeleiland is een heemtuin waar zo’n 300 verschillende soorten planten, struiken en bomen groeien. In het voorjaar bloeien er wilde hyacinten, knolsteenbreek en kievitsbloemen, in de zomer moerasspirea, engelwortel, koninginnekruid, bolderik en de korenbloem en in de herfst de kardinaalsmuts. Geen wonder dat het eiland veel insecten, vlinders en libellen trekt. Bijzonder is ook het Bloesempark, waar eind maart enkele honderden kersenbomen in bloei staan. Over planten en bloemen in het Schinkelbos valt nog weinig te zeggen, daarvoor is het nog te jong. De flora wil er graag, maar de variatie (en groei) wisselt voorlopig nog. Gedetailleerde informatie over de flora en fauna is te vinden in het boek Het Amsterdamse Bos, Natuur dichtbij de stad (2003), dat te koop is in het Bezoekerscentrum.
 
 

Een slak betrapt bij een hapje van een paddenstoelPaddenstoelen

De grondsoort en de bomenvariatie in het Amsterdamse Bos lenen zich goed voor veel verschillende soorten paddenstoelen. Ooit zijn er 500 soorten vastgesteld, waarvan soms al 300 in bepaalde concentraties. Er is geen reden om aan te nemen dat het aantal is verminderd. In juli kan de bekende vliegenzwam al zichtbaar zijn; de piek is eind augustus. In het begin van de herfst wemelt het er van de parasolzwammen. Totaal zijn er meer dan 100.000 schimmels, die allemaal anders zijn. Ze kunnen eetbaar zijn, giftig, geneeskrachtig en hallucinogeen (paddo’s). Als het goed is vormen paddenstoelen een team met een boom. Een boom heeft een hekel aan paddenstoelen die profiteren. Hij wil liever voedsel met ze ruilen. Paddenstoelen zijn daarom zeer belangrijk voor de natuur. Door hun vreemde uiterlijk, eigenschappen en merkwaardige vindplaatsen hebben ze altijd tot de verbeelding van de mens gesproken. Daardoor hebben ze ook fantasievolle namen gekregen, zoals elfenbankje, zwavelkopje, tondelzwam, oranje mostrechtertje en trompet des doods.